|
||||
|
Duitse Herdershond
|
||||
|
Herkomst
|
|
|||
|
Algemeen voorkomen
|
Draverslichaam, middelgroot, licht gestrekt, krachtig en goed gespierd. De knoken zijn droog en de totaalstructuur is vast. | |||
|
Schofthoogte
|
reuen 60 - 65 cm; teven 55 - 60 cm | |||
|
Gewicht
|
reuen 30 - 40 kg; teven 22 - 32 kg | |||
|
Vacht
|
De correcte beharing voor een Duitse Herder is stokharig met onderwol. De kleuren zijn zwart, grauw, zwart met roodbruine, bruine, gele tot helgrauwe aftekening; vaak een zwart zadel. Wit is niet toegestaan. | |||
|
Gebruik
|
Veelzijdige gebruikshond die als helper voor de mens nuttige taken verricht als herdershond, lawinehond, blindengeleidehond, speurhond, waak- en verdedigingshond, politiehond. De Duitse Herdershond is daarnaast geschikt als gezinshond. | |||
|
Gezondheid
|
Zie de WKHS gezondheidsinventarisatie. Fokdieren worden onderzocht op het voorkomen van heupdysplasie; soms wordt elleboogdysplasie bij dit ras vastgesteld. | |||
|
Aard
|
Veelzijdige, intelligente, leergierige, actieve hond. Gewenst is een evenwichtig, zelfverzekerd, absoluut onbevangen en (zonder prikkeltoestand) volkomen goedaardig karakter. Belangrijk is dat de hond goed gesocialiseerd wordt en van zijn baas een conseqente opvoeding krijgt. | |||
| Bijzonderheden | Regelmatig kammen en borstelen, tijdens de rui is een ´herderhark´ handig. | |||
|
|
||||
|
Bron: Raad van Beheer -
www.kennelclub.nl
|
||||